Rasbeschrijving sectie NWR

Algemeen voorkomen: rijtypisch met reeds op afstand herkenbare Welshuitstraling, adel en een fijne huid, harmonieuze bouw en een uitstraling van voornaamheid.
Kleur: alle kleuren, behalve platenbont
Hoofd: edel, betrekkelijk klein in verhouding, droog, en goed aangezet,breed tussen de ogen, fijn rond de neus
Ogen: groot en moedig
Oren: klein en goed geplaatst
Neusgaten: groot en open
Kaken en keelgang: droog en fijn uitgesneden, met ruime keelgang
Hals: voldoende lang, met voldoende lengte in de nek en mooie bovenbespiering
Schouders: lang en schuin, met goed ontwikkelde schoft
Voorbenen: correct en recht gesteld, hard en droog, met lange, gespierde onderarm, goed ontwikkelde gewrichten, voldoende lange, schuine koten en goed ontwikkelde, harde voeten
Rug en lendenen: goed aangesloten en gespierd, met voldoende lengte en buigzaamheid, en een vloeiend verloop
Borst: redelijk diep
Ribben: goed gewelfd, niet te rond
Croupe: lang, hellend, goed gespierd, met fraai ingeplante en fraai gedragen staart, die nadrukkelijk niet op de rug gegooid mag worden.
Achterbenen: hard en droog, met goed ontwikkelde gewrichten, correct gesteld, d.w.z. niet gestrekt of sabelbenig; de spronggewrichten moeten groot, plat en droog zijn met duidelijk afgetekende hakken, de schenkel breed en gespierd, de koten voldoende lang en schuin, de voeten goed ontwikkeld, met harde hoeven.
Beweging: vierkant, elastisch en gedragen, voorwaarts-opwaarts, met balans, ruimte en regelmaat; het voorbeen wordt royaal weggezet, waarbij een stekerige beweging niet gewenst is; de achterhand goed ondergebracht met veel buiging in alle gewrichten.